Wie de trustvraag onjuist invult, riskeert omkering en verzwaring van de bewijslast
(HR 27 maart 2026, nr. 23/03385, ECLI:NL:HR:2026:518)
Wat is er aan de hand?
Belanghebbende hield samen met haar broer alle aandelen in een BV. De broer had de meerderheid van de aandelen en was ook de enige bestuurder. Daarnaast had belanghebbende een vordering op de BV van bijna € 4 miljoen.
In september 2012 sloten belanghebbende en de BV een overeenkomst waarbij de BV haar aandelen zou inkopen voor € 1.500.000. De levering vond uiteindelijk plaats op 4 maart 2014. In haar aangifte IB 2014 gaf belanghebbende een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang aan, uitgaande van die overeengekomen prijs.
Maar er speelde meer. Belanghebbende was beneficiary van een buitenlandse familietrust. Haar broer was de settlor. In de aangifte 2014 heeft zij de trustvraag niet met “ja” beantwoord.
De inspecteur vindt de overeengekomen inkoopprijs veel te laag. Volgens hem was geen sprake van een ‘onder normale omstandigheden’ gesloten overeenkomst. Daarom moet niet de afgesproken prijs worden belast, maar de waarde in het economische verkeer van de aandelen.
De inspecteur heeft de waarde, na bezwaar, bepaald op € 5.572.702.
Wat vindt het hof ervan?
Het hof volgt de inspecteur. Volgens het hof heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De trustvraag was ten onrechte niet met “ja” beantwoord, terwijl die informatie wel relevant was. Het hof beslist vervolgens dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Er is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. De trustvraag kon immers licht werpen op haar vermogen, op de financiële verhouding met haar broer en op een mogelijke compensatie voor een te lage prijs van de aandelen.
Ook over de prijs van de aandelen was het hof duidelijk. Er was geen taxatie, er lag geen schriftelijke onderbouwing van de prijs, het ging feitelijk om een transactie binnen de familie en de afgesproken prijs lag fors onder de intrinsieke waarde. Het hof vindt voldoende om aan te nemen dat de prijs niet onder normale omstandigheden tot stand is gekomen.
De beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand. Het cassatieberoep is ongegrond.
Belanghebbende probeerde in cassatie nog aan te voeren dat het vervreemdingsvoordeel eigenlijk al in 2012 was genoten. Maar dat punt was bij het hof niet aangevoerd. Dan houdt het in cassatie snel op. Voor een nieuw feitelijke discussie is in cassatie geen plaats.
Ook het verweer, dat de trustvraag onbeantwoord kon blijven, slaagt niet. Voor zover in cassatie wordt betoogd dat de vraag alleen zag op ingebracht vermogen in een trust, en niet op betrokkenheid daarbij, is ook dat een nieuw feitelijke stelling.
De Hoge Raad laat vervolgens het oordeel van het hof in stand dat het niet beantwoorden van de trustvraag in dit geval voldoende is om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen.
Ook de beslissing van het hof over de waardebepaling van de aandelen blijft in stand. De Hoge Raad bevestigt dat voor toepassing van die bepaling een bevoordelingsoogmerk nodig is. Maar volgens de Hoge Raad heeft het hof dat ook in zijn beslissing meegenomen. De Hoge Raad beslist:
“Het Hof heeft geoordeeld dat de tegenprestatie voor de ingekochte aandelen is overeengekomen met het oog op een kunstmatige verkleining van de aanmerkelijkbelangwinst van belanghebbende, in een transactie tussen – in feite – familieleden en dat de tegenprestatie aldus is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst (zie hiervoor in 3.2.2, laatste alinea). In dit oordeel ligt besloten dat belanghebbende bij deze transactie beoogde haar broer te bevoordelen”.
Wat vind ik ervan?
Zou er in dit geval een andere waarde zijn uitgekomen als de bewijslast niet was omgekeerd en verzwaard? Dat is de vraag die mij interesseert.
Maakt het in dit geval uit of de bewijslast is omgekeerd ja of nee.
Dat hangt vooral af hoe de schatting tot stand is gekomen. Bij het maken van een schatting heeft de inspecteur een ruime marge. De willekeur is de grens, zegt de Hoge Raad.
In hoeverre die marge ook echt wordt gebruikt, hangt naar mijn mening vooral af van de informatie waarover de inspecteur beschikt.
Bijvoorbeeld, bij een boekenonderzoek, is het de vraag of de inspecteur voor de schatting nog kan aansluiten bij de administratie van de ondernemer of dat moet hij terugvallen op meer algemene gegevens, zoals branchegegevens.
Ik heb de uitspraak van het hof erbij gepakt. De waardebepaling is deels gebaseerd op informatie van belanghebbende zelf en een waarderapport opgesteld door de Belastingdienst.
De waarde van de aandelen is aldus het Hof als volgt tot stand gekomen:
“In het waarderapport worden de waardes van de door Het [bedrijf 1] gehouden onroerende zaken afgeleid uit door belanghebbende verstrekte informatie en marktgegevens die door belanghebbende niet bestreden zijn. Uit deze gegevens heeft de inspecteur de waarde van de aandelen afgeleid waarbij hij vervolgens – ten behoeve van het subsidiaire standpunt – rekening heeft gehouden met de beperkte verhandelbaarheid en zeggenschap door een afslag van 5% toe te passen. Met betrekking tot de door de inspecteur gebezigde inschatting van 5% neemt het Hof in aanmerking dat bij een dergelijke benadering enige onzekerheid inherent is zonder dat dit leidt tot het oordeel dat een daaruit voortvloeiende waarde onredelijk of willekeurig is”.
Voor de waardebepaling is voor een belangrijk deel aangesloten bij gegevens van belanghebbende zelf. Je kunt je in dat geval afvragen of die waarde zoveel anders zou als de bewijslast niet was omgekeerd en verzwaard.
Belanghebbende heeft hier niet veel tegen ingebracht. Voor zover ik kan zien, heeft belanghebbende vooral betoogd, dat geen sprake is van een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden tot stand is gekomen. Zij leeft onmin met haar broer en gelet daarop wilde ze hem dus niet bevoordelen.
Zonder dossier kun je de hele zaak nooit helemaal overzien natuurlijk, maar het lijkt niet dat belanghebbende serieus nadeel heeft geleden door de omkering en verzwaring van de bewijslast.