Drie arresten over ontvankelijkheid

De afgelopen periode heeft de Hoge Raad een drietal arresten gewezen over de ontvankelijkheid. In twee van die arresten komt de Hoge Raad met een nieuwe- of een nadere invulling van een rechtsregel. Ik heb de arresten hieronder voor je op een rij gezet.

Geen verzendbewijs van de inspecteur? Dan begint de bezwaartermijn pas later.

Dat is wat de Hoge Raad onlangs heeft beslist (HR 17 april 2026, nr. 25/00089,ECLI:NL:HR:2026:677).

Belanghebbende krijgt een naheffingsaanslag BPM met dagtekening 13 april 2023. Zijn bezwaar komt op 20 juni 2023 binnen en wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag in de brievenbus van zijn buurman is bezorgd en hij die pas later heeft gekregen.

De Rechtbank verklaart het beroep buiten zitting kennelijk ongegrond (artikel 8:54 Awb) en het verzet daartegen ongegrond. De Hoge Raad denkt daar anders over: betwist een belastingplichtige dat het aanslagbiljet voor of op de datum van dagtekening ter post is bezorgd, dan moet de inspecteur aannemelijk maken aan welk postvervoerbedrijf het poststuk is aangeboden en wanneer.

De inspecteur kan geen verzendbewijs overleggen, omdat volgens de inspecteur van de verzending van naheffingsaanslagen geen registratie wordt bijgehouden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de naheffingsaanslag niet voor of op 13 april 2023 is bekendgemaakt en vangt de bezwaartermijn van zes weken pas aan op de dag waarop belanghebbende de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen. De zaak gaat terug voor verdere behandeling.

De rechter mag zomaar een nieuwe machtiging vragen en dat kan gevolgen hebben voor je client

Dat is in de kern wat de Hoge Raad 17 april heeft beslist (HR 17 april 2026, nr. 24/04262,ECLI:NL:HR:2026:556).

Een gemachtigde stelt hoger beroep in in een WOZ-zaak en overlegt daarbij een algemene, doorlopende volmacht van 28 februari 2022 voor alle zaken over lokale belastingen en WOZ-beschikkingen.

Het Hof twijfelt en vraagt – tweemaal – om een recente machtiging, met waarschuwing voor niet-ontvankelijkheid. Gemachtigde levert binnen de termijn een nieuwe machtiging van 18 maart 2024 aan, maar die ziet op de WOZ-beschikking 2024, dus voor een ander jaar. Het Hof verklaart het hoger beroep daarop niet-ontvankelijk: de nieuwe machtiging dekt niet de lopende procedure en aan de oude, algemene en doorlopende machtiging twijfelde het Hof nu juist.

De Hoge Raad bevestigt en beslist dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb van een gemachtigde (geen advocaat) een schriftelijke machtiging kan verlangen en daarbij in redelijkheid eisen mag stellen, waaronder een recente machtiging, een machtiging van na de bestreden uitspraak of een machtiging die specifiek ziet op de lopende procedure.

Hiervoor zijn geen aanwijzingen nodig dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van Boek 3 BW is geëindigd. Op dit punt komt de Hoge Raad expliciet terug van zijn arrest van 11 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:840).

De rechter hoeft zijn verzoek niet te motiveren en als er geen (nieuwe) machtiging binnen de termijn wordt overgelegd, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb dat tot niet-ontvankelijkheid kan leiden, mits uiteraard een redelijke hersteltermijn is gegund en het verzuim niet verschoonbaar is, een en ander geldend in bezwaar, beroep, hoger beroep én cassatie.

Mag een bestuursorgaan in beroep alsnog stellen dat het bezwaar te laat was?

Dat is wat de Hoge Raad in deze zaak moest beslissen (HR 20 maart 2026, nr. 24/02420,ECLI:NL:HR:2026:451).

In deze zaak had een belanghebbende ruim veertien maanden na dagtekening bezwaar gemaakt tegen een aanslag leges. De heffingsambtenaar had het bezwaar ontvankelijk verklaard en inhoudelijk afgewezen, om vervolgens in beroep alsnog het standpunt in te nemen dat het bezwaar wegens onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had moeten zijn.

De Hoge Raad stelt voorop dat een bestuursorgaan dat inhoudelijk op een bezwaar heeft beslist, in (hoger) beroep in beginsel niet alsnog mag stellen dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. Het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel verzetten zich daartegen. Op die hoofdregel geldt echter een uitzondering, en wel als aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: 

(i) de belanghebbende heeft vóór de uitspraak op bezwaar onjuiste of onvolledige feitelijke informatie verstrekt die van belang is voor de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar of de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding, dan wel het bestuursorgaan heeft de juiste en volledige informatie in strijd met een wettelijke verplichting onthouden, 

(ii) de belanghebbende had redelijkerwijs moeten weten dat het bestuursorgaan daardoor de ontvankelijkheid van het bezwaar niet goed en volledig kon beoordelen, en 

(iii) het bestuursorgaan heeft (mede) op basis van die onjuiste of onvolledige informatie, of door het ontbreken van de aan hem onthouden juiste informatie, de ontvankelijkheid aangenomen. 

Het middel dat ervan uitging dat een tijdigheidsverweer ná een inhoudelijke uitspraak op bezwaar in alle gevallen is uitgesloten, berust dus op een onjuiste rechtsopvatting en faalt.

Wat vind ik er van?

Ik denk dat de eerste twee arresten voor zichzelf spreken. Ik beperk me daarom tot het bespreken van het laatste arrest over de ontvankelijkheid van het bezwaar. 

De inspecteur kan in (hoger) beroep na een inhoudelijke behandeling van het bezwaar, niet zonder meer alsnog de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bepleiten. Dat kan alleen als de beslissing op de ontvankelijkheidsvraag in bezwaar het gevolg is van onjuiste informatieverstrekking door de belanghebbende, oordeelt de Hoge Raad.

De Hoge Raad sluit voor de beoordeling daarvan aan bij het vertrouwensbeginsel. Van belang is daarvoor of de informatieverstrekking door belanghebbende volledig en juist is geweest. 

Ik vraag me af, hoe dit moet worden beoordeeld als er in bezwaar helemaal geen discussie is geweest over de ontvankelijkheid en belanghebbende daar ook helemaal niks over heeft gezegd in bezwaar, maar in beroep blijkt dat het bezwaar te laat is. De rechter mag de ontvankelijkheid van het bezwaar niet ambtshalve beoordelen, duidelijk. Maar wat als de ambtenaar zegt: “Ik heb het over het hoofd gezien, maar het bezwaar is evident te laat”. 

Je zou in dat geval andere rechtspraak over het vertrouwensbeginsel kunnen toepassen. Als je de toepassing van het vertrouwensbeginsel verder doortrekt, is het de vraag of belanghebbende kon en mocht menen dat de ambtenaar de ontvankelijkheid heeft beoordeeld en bezwaar ontvankelijk heeft geacht. Niet relevant is dan of de ambtenaar de ontvankelijkheid daadwerkelijk heeft beoordeeld. Het gaat om de indruk die bij belanghebbende is ontstaan.

Als de ambtenaar het bezwaar inhoudelijk heeft behandeld, dan mag belanghebbende er, naar mijn mening, vanuit gaan dat de ambtenaar de ontvankelijkheid ook heeft beoordeeld. In dat geval kan de ambtenaar daar in beroep niet op terug komen.

Volgende
Volgende

Wie de trustvraag onjuist invult, riskeert omkering en verzwaring van de bewijslast