Precariobelasting 2015 gewonnen, maar dat helpt niet bij 2016
(HR 26 juni 2026, nr. 24/02074, ECLI:NL:HR:2026:1027)
Je wint een procedure over de precariobelasting 2015. Een jaar later speelt dezelfde vraag, nu over 2016. Moet je over 2016 dan niet gewoon gelijk krijgen. Nee, zegt de Hoge Raad.
Wat was er aan de hand?
Belanghebbende beheert het elektriciteitsnetwerk van de gemeente Hulst. De gemeente legt haar voor 2016 een aanslag precariobelasting op voor kabels in gemeentegrond.
Tussen belanghebbende en de gemeente gelden overeenkomsten over de aansluiting en het transport van elektriciteit. Op grond daarvan geldt voor bepaalde kabels een gedoogplicht, en dus een vrijstelling van precariobelasting. De vraag is: hoe ver reikt die gedoogplicht?
Diezelfde vraag lag al eerder voor, over het belastingjaar 2015, op grond van een andere, maar inhoudelijk gelijkluidende verordening en niet-identieke maar inhoudelijk overeenstemmende overeenkomsten. Het gerechtshof Den Haag oordeelde over 2015 dat de vrijstelling gold voor alle kabels van belanghebbende. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de gemeente tegen die uitspraak ongegrond. Die uitspraak staat dus onherroepelijk vast.
Belanghebbende redeneert: dat oordeel over 2015 heeft gezag van gewijsde. Voor 2016 hoeft dezelfde vraag dan niet opnieuw te worden beoordeeld.
Wat vindt het Hof ervan?
Het Hof gaat daar niet in mee. Vaste jurisprudentie leert dat in het belastingrecht elke aanslag op zichzelf staat. Dat de uitspraak over 2015 onherroepelijk is, betekent niet dat die ook bindend is voor de aanslag van 2016.
Het Hof beoordeelt de gedoogplicht daarom opnieuw. En komt tot een andere uitleg dan het gerechtshof Den Haag deed voor 2015: alleen de kabels die behoren tot de aansluiting van het gemeentehuis en de openbare verlichting vallen eronder. De rest van de kabels blijft belast.
De beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad bevestigt het Hof. Het gezag van gewijsde is een civielrechtelijk leerstuk (art. 236 lid 1 Rv), dat alleen ziet op vonnissen van de burgerlijke rechter. In het fiscale procesrecht staat geen vergelijkbare bepaling, en er is geen aanleiding om artikel 236 lid 1 Rv naar analogie toe te passen op onherroepelijke beslissingen van de belastingrechter.
De belastingrechter heeft namelijk niet tot taak om civielrechtelijke rechtsverhoudingen vast te stellen. Zijn taak is om de rechtmatigheid van een specifieke belastingaanslag te beoordelen. Moet hij daarbij een civielrechtelijke vraag beantwoorden (hier: de gedoogplicht), dan doet hij dat als voorvraag, dat maakt zijn oordeel geen vaststelling van die civielrechtelijke rechtsverhouding zelf.
Wat vind ik ervan?
Wat het Hof en de Hoge Raad zeggen, klopt. Elke aanslag staat op zichzelf en gezag van gewijsde is een civielrechtelijk leerstuk dat niet zomaar naar het belastingrecht kan worden doorgetrokken. Maar ik kan me voorstellen dat dit op belanghebbende vreemd overkomt.
Aan de andere kant; belanghebbende wist dat de gemeente het niet eens was met de door het Hof Den Haag gegeven uitleg. Bij het aangaan van de nieuwe overeenkomst in 2016 had belanghebbende de gelegenheid om dit punt te kunnen afdichten.