Geen behandelplan in het computersysteem: mag de inspecteur navorderen?

Dat is de kernvraag in een arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026 (HR 17 juli 2026, nr. 23/03413, ECLI:NL:HR:2026:1296).

Wat is er aan de hand?

Belanghebbende verkoopt in 2016 zijn aandelen in een holding voor € 604.000. De koper blijft de koopprijs volledig schuldig.

Belanghebbende wordt uitgenodigd om aangifte IB/PVV 2016 te doen, krijgt uitstel tot 1 mei 2018, een herinnering op 25 mei 2018 en een aanmaning op 29 juni 2018. Op 2 augustus 2018 vraagt de gemachtigde de inspecteur om een standpuntbepaling: het vervreemdingsvoordeel zou moeten worden vastgesteld op € 501.000.. Op 10 september 2018 gaat de inspecteur akkoord met het voorstel.

Belanghebbende dient vervolgens geen aangifte in. Op 5 januari 2019 legt de inspecteur ambtshalve een primitieve aanslag op zonder het vervreemdingsvoordeel. 

Reden: de aanslagregelend ambtenaar heeft nagelaten een behandelvoornemen in het computersysteem van de Belastingdienst op te nemen, en heeft ook niet handmatig de voortgang van het aanslagproces gevolgd. Op 3 juni 2020 volgt alsnog een navorderingsaanslag.

Is de inspecteur bevoegd om na te vorderen?

Wat vindt het Hof?

Het Hof stelt vast dat de inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslag een fout heeft gemaakt in de ruime en neutrale zin van het woord. Maar volgens het Hof gaat het om een beoordelingsfout: de aanslagregelend ambtenaar heeft klaarblijkelijk nagelaten kennis te nemen van de bij de Belastingdienst aanwezige informatie over de vervreemding, en heeft daardoor niet onderkend dat die zich had voorgedaan. Bij zorgvuldige dossiervorming was dat niet gebeurd. Zo'n beoordelingsfout staat aan navordering op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR in de weg.

Volgens het Hof kan de inspecteur navorderen omdat belanghebbende te kwade trouw is. Belanghebbende gaat tegen deze beslissing in cassatie.

Beslissing Hoge Raad

De staatssecretaris stelt incidenteel cassatieberoep in tegen het oordeel dat sprake is van een beoordelingsfout. Volgens de staatssecretaris is de primitieve aanslag te laag vastgesteld door een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde opleggen en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd. Dit is veroorzaakt door de geautomatiseerde aanslagregeling. Dat is een fout in de ruime en neutrale zin, geen verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten.

De Hoge Raad volgt dit betoog. Het begrip fout in artikel 16, lid 2, letter c, AWR is neutraal en ruim bedoeld: daaronder vallen niet alleen schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook fouten die het gevolg zijn van geautomatiseerde verwerking. Het nalaten om een behandelvoornemen in het computersysteem op te nemen, is zo'n fout. Bepalend is het moment waarop het geautomatiseerde proces niet is gestopt en niet de vraag of bij het vaststellen van de aanslag kennis is genomen van de akkoordverklaring over de hoogte van het voordeel. Dat betekent: geen beoordelingsfout, wel een fout die navordering op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR rechtvaardigt. Het incidentele middel slaagt.

Wat vind ik ervan?

Ik kan mij vinden in het arrest van de Hoge Raad. De jurisprudentie op dit punt vind ik vrij helder. 

Het is duidelijk dat er geen sprake is van een beoordelingsfout. Er is immers iets anders opgelegd dan de inspecteur wilde opleggen.

De inspecteur heeft het behandelvoornemen niet in het systeem gezet. Hij dacht namelijk, zo maak ik op uit de Hof uitspraak, dat hij het proces voor het ambtshalve opleggen van een aanslag niet meer kon stoppen. Dat is niet handig natuurlijk. 

Wat had de inspecteur kunnen doen om gesteggel hierover te voorkomen? Hij had old skool een briefje kunnen sturen met daarin de mededeling dat de aanslag die eraan komt, onjuist is en dat daaraan geen vertrouwen kan worden ontleend (HR 9 juli 1999, nr. 34.665, ECLI:NL:HR:1999:AA2802)

Volgende
Volgende

Precariobelasting 2015 gewonnen, maar dat helpt niet bij 2016