Verzuimboete blijft staan, ook al gelooft het Hof dat de aanmaning niet is aangekomen
Post die niet aankomt, dat heeft bijna iedereen wel eens. Maar als post structureel niet aankomt en je onderneemt niets, dan kan dat aan jou worden toegerekend. Dat beslist het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 15 juli 2026, nr. SHE 24/1806,ECLI:NL:GHSHE:2026:1853. Maar er is meer. Het Hof oordeelt ook over de zwaarte van het bewijs.
Wat is er aan de hand?
Belanghebbende woont in Duitsland. De inspecteur nodigt hem uit om aangifte IB/PVV 2016 te doen, stuurt een herinnering en later een aanmaning. Belanghebbende doet geen aangifte. De inspecteur legt een ambtshalve aanslag op met een verzuimboete van € 369 en brengt belastingrente in rekening van € 1.150.
Belanghebbende dient alsnog aangiftes in en maakt bezwaar. Uiteindelijk vermindert de inspecteur de aanslag ambtshalve en verlaagt hij de belastingrente, maar aan de verzuimboete houdt hij vast.
Belanghebbende stapt naar de rechtbank. Die vernietigt de verzuimboete. De inspecteur berust daar niet in en gaat in hoger beroep bij het Hof. Kern van het geschil: heeft belanghebbende de aanmaning tot het doen van aangifte ontvangen, of is het niet-ontvangen aan hemzelf toe te rekenen?
Beslissing van het Hof
Voor het opleggen van een verzuimboete geldt dat de aanmaning belanghebbende moet hebben bereikt, of op zijn adres moet zijn aangeboden, tenzij het niet-ontvangen van de aanmaning aan belanghebbende kan worden toegerekend.
De ontvangst van de aanmaning, of de aanbieding daarvan op het adres van belanghebbende, is een bestanddeel van het beboetbare feit. Daarvoor geldt een verzwaarde bewijslast: de inspecteur moet dit “doen blijken”, dat wil zeggen het feit moet buiten redelijke twijfel vast komen te staan. Die zware maatstaf volgt uit de waarborgen die belanghebbende ontleent aan artikel 6, lid 2, EVRM. Twijfel komt daarbij in het voordeel van belanghebbende (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526).
Voor de bewijslevering wijst het Hof op een arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063), waarin de Hoge Raad heeft beslist dat bewijs van boetes ook aan de hand van vermoedens kan worden geleverd. De feiten die aan dat vermoeden ten grondslag liggen moeten in dat geval buiten redelijke twijfel vaststaan en het vermoeden moet daar redelijkerwijs uit voortvloeien.
Met de verzendrapportages komt volgens het Hof buiten redelijke twijfel vast te staan dat de aanmaning op 25 januari 2018 ter verzending is aangeboden aan PostNL, geadresseerd aan het juiste adres van belanghebbende in Duitsland. Daaruit volgt aldus het Hof het (weerlegbare) vermoeden dat de aanmaning is ontvangen, of in ieder geval op zijn adres is aangeboden.
Belanghebbende houdt vol dat hij de aanmaning niet heeft ontvangen. Hij wijst op structurele problemen met de postbezorging op zijn adres, op de aangifte die hij daarover bij de Duitse politie heeft gedaan, en op het feit dat zelfs de aangetekend verstuurde uitnodiging voor deze zitting bij zijn buurvrouw belandde. De inspecteur spreekt dit niet tegen. Het Hof vindt belanghebbende geloofwaardig.
Toch helpt dat belanghebbende niet. Het Hof oordeelt dat het herhaaldelijk niet ontvangen van post al langere tijd speelt en dat belanghebbende dat wist. Van hem mocht worden verwacht dat hij maatregelen zou hebben genomen, bijvoorbeeld door een postbus te nemen. Omdat hij dat niet heeft gedaan, is het niet ontvangen van de aanmaning aan hem toe te rekenen. Aan de voorwaarden van artikel 67a, lid 1, AWR is daarmee voldaan.
Een beroep op afwezigheid van alle schuld haalt evenmin iets uit. Voor een verzuimboete is dat alleen anders bij avas of een pleitbaar standpunt, en van avas is geen sprake als iemand zelf geen maatregelen neemt om bereikbaar te blijven voor de Belastingdienst.
Ook het evenredigheidsbeginsel biedt geen soelaas. De boete staat al op het laagste bedrag uit het boetebeleid. Het Hof weegt mee dat het verzamelinkomen van belanghebbende ruim boven de € 56.000 ligt, dat opzet of grove schuld geen rol spelen bij deze boete, en dat fouten van een (voormalige) adviseur voor rekening van belanghebbende blijven. Dat hij later alsnog meewerkte, is evenmin reden om de boete te matigen.
Het hoger beroep van de inspecteur slaagt. De verzuimboete blijft in stand.
Wat vind ik ervan?
Deze uitspraak triggerde mij in eerste instantie, omdat het Hof heeft geoordeeld dat het niet ontvangen van de aanmaning aan belanghebbende kan worden toegerekend. Hij had volgens het Hof onvoldoende maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de post hem wel zou bereiken. Ik vond dat een opvallende beslissing, de rechtbank had de boete wel vernietigd.
Al lezende kwam ik ook andere beslissingen tegen die opvielen. Maar voor dat ik daarop inga, eerst de beslissing van het Hof over de bewijslast. Dat is een belangrijke beslissing.
Zware bewijslast geldt ook voor de aanmaning
Het Hof beslist dat voor het bewijs van de ontvangst van de aanmaning de zogenoemde verzwaarde bewijslast geldt voor de inspecteur, want de aanmaning maakt onderdeel uit van de beboetbare gedraging. De verzuimboete kan immers pas worden opgelegd als belanghebbende is aangemaand tot het doen van aangifte. Dat hiervoor de verzwaarde bewijslast geldt, kan ook worden afgeleid uit de uitspraak van het Hof Amsterdam van 12 mei 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1581).
Ik kan deze beslissing op zichzelf volgen, maar hoe dat bewijs dan volgens het Hof kan worden geleverd in deze zaak, snap ik niet helemaal.
Om een verzuimboete op te kunnen leggen, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de aanmaning door belanghebbende is ontvangen of op zijn adres is aangeboden.
Omdat de Belastingdienst aanmaningen per gewone post verstuurt, kan de inspecteur de ontvangst vaak niet bewijzen. Hij kan alleen bewijs leveren van de verzending.
Bewijslevering aan de hand van vermoedens
De Hoge Raad heeft dat eerder opgelost door te beslissen dat als aannemelijk is dat de aanmaning naar het juiste adres is verzonden, dat dit het vermoeden van ontvangst rechtvaardigt. Als belanghebbende stelt de post niet te hebben gehad, wordt daarmee volgens de Hoge Raad, ook de verzending betwist. De inspecteur moet in dat geval bewijzen dat het aan het juiste adres is verzonden en met welk postvervoerbedrijf het poststuk is verstuurd.
Geldt deze rechtsregel nog wel voor de aanmaning sinds 8 april 2022 de verzwaarde bewijslast voor boetes geldt?
Het Hof vindt van wel althans, zo lees ik het. Het Hof wijst eerst op het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 waarin is beslist dat bewijs van boetes kan worden geleverd aan de hand van vermoedens. Klopt, maar de Hoge Raad heeft in dat arrest ook beslist dat dit alleen kan, als de onderliggende feiten waarop dat vermoeden is gebaseerd, buiten redelijke twijfel komen vast te staan.
In de onderhavige zaak komt volgens het Hof buiten redelijke twijfel vast te staan, dat de aanmaning is verzonden. Met de verzendrapporten heeft de inspecteur de verzending bewezen, maar voor het opleggen van de verzuimboete is niet de verzending relevant, maar de ontvangst van de aanmaning.
De ontvangst of de aanbieding van de aanmaning op het juiste adres moet buiten redelijke twijfel vast komen te staan en kun je dat wel aan de hand van die ‘oude’ rechtsregel van de Hoge Raad bewijzen? Die regel is in het leven geroepen, omdat de inspecteur de ontvangst juist niet kon bewijzen. Die rechtsregel is gebaseerd op het uitgangspunt dat verzonden post, meestal ook aankomt. Het Hof meent dat de rechtsregel nog bruikbaar is. Ik ben benieuwd of de Hoge Raad dat voor boetes ook nog zo ziet.
Toerekening belanghebbende
In deze zaak maakt dat verder niet uit omdat het Hof belanghebbende gelooft, dat hij de aanmaning niet heeft ontvangen en de inspecteur betwist dat verder ook niet.
Dat helpt belanghebbende echter niet omdat het Hof vindt dat het aan belanghebbende is toe te rekenen dat hij de aanmaning niet heeft ontvangen. Hij wist dat de post niet altijd werd bezorgd en had maatregelen moeten treffen. Ik vind dat wat ver gaan, maar goed daar kun je anders over denken. Als een belanghebbende dit argument vaker gebruikt, dan is het misschien meer een soort smoes en kan ik me het wel weer voorstellen. De uitspraak zegt daar verder niks over.
Beoordeling evenredigheidsbeginsel
Wat mij ook nog opviel, is dat het Hof de beoordeling van het evenredigheidsbeginsel koppelt aan het bedrag van het verzamelinkomen. Dat is volgens mij niet relevant. Of de hoogte van de boete in verhouding staat tot de ernst van de overtreding (het niet doen van de aangifte), hangt niet af van het bedrag van de verschuldigde belasting.