Wanneer is de vereiste aangifte niet gedaan? (nieuw standaard arrest)
Een factuur van € 250.000 zonder tegenprestatie komt in de aangifte toch in aftrek. Het gevolg: de inspecteur mag navorderen en de bewijslast is omgekeerd en verzwaard. Niet alleen voor die ene factuur, maar voor de hele navorderingsaanslag. Dat is in de kern wat de Hoge Raad heeft beslist (HR 9 oktober 2026, nr. 24/01480, ECLI:NL:HR:2026:1484).
Wat was er aan de hand?
Belanghebbende is een bv. Het gaat om de vennootschapsbelasting over 2015.
– Op 28 april 2017 doet belanghebbende aangifte vennootschapsbelasting 2015. Het aangegeven belastbaar bedrag is € 374.423.
– Op 2 mei 2017 laat de inspecteur weten dat een lopend boekenonderzoek naar de omzetbelasting wordt uitgebreid naar de vennootschapsbelasting over 2013 tot en met 2015.
– Op 8 mei 2017 wordt de aanslag vennootschapsbelasting 2015 geautomatiseerd vastgesteld, conform de aangifte.
– Na het boekenonderzoek volgt een navorderingsaanslag naar een belastbaar bedrag van € 2.119.352. De inspecteur corrigeert € 940.000 aan “Consulting expenses” en € 635.000 aan “Commission and training expenses”. Daarnaast neemt hij een winstuitdeling aan van (na aftrek van kosten) € 169.929.
– Tussen partijen staat niet ter discussie dat belanghebbende een factuur van € 250.000 in aftrek heeft gebracht. Die factuur is niet betaald en er staat geen tegenprestatie tegenover. Volgens belanghebbende is de factuur per vergissing in de administratie opgenomen.
Twee vragen liggen voor. Mag de inspecteur navorderen? En geldt de omkering en verzwaring van de bewijslast voor de hele aanslag of alleen voor de € 250.000?
Wat vindt het Hof ervan?
Navordering
De inspecteur mag navorderen op grond van art. 16, lid 2, letter c, AWR. Het Hof acht aannemelijk dat de controlerende ambtenaren hebben nagelaten het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te vermelden. Daardoor is de geautomatiseerde afdoening van de aangifte niet geblokkeerd. Dat is een fout in de ruime en neutrale zin van die bepaling.
De fout was ook kenbaar. Gelet op de aankondiging van de inspecteur op 2 mei 2017 kon belanghebbende redelijkerwijs niet menen dat de op 8 mei 2017 vastgestelde aanslag juist was. Bovendien bedraagt de te weinig geheven belasting door de correctie van € 250.000 al ten minste 30 procent van de verschuldigde belasting. Dan wordt de kenbaarheid bij wege van fictie verondersteld.
Bewijslast
Belanghebbende heeft niet de vereiste aangifte gedaan. De onterechte aftrek leidt ertoe dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het bedrag dat niet zou zijn geheven, is op zichzelf ook aanzienlijk. En belanghebbende wist of moest weten dat de aftrek onjuist was. Het Hof wijst daarvoor op vier omstandigheden:
– belanghebbende verklaart zelf dat voor de factuur geen tegenprestatie is verricht en dat deze nooit is betaald;
– het gaat om een omvangrijk bedrag dat niet licht over het hoofd wordt gezien;
– de factuur is verwerkt door de toenmalige directeur, die is opgeleid tot accountant;
– de factuur is verwerkt als een (incidentele) memoriaalboeking.
De omkering en verzwaring van de bewijslast geldt volgens het Hof voor de gehele aanslag. De correcties in de navorderingsaanslag berusten op een redelijke schatting, gebaseerd op gegevens uit de administratie van belanghebbende. Belanghebbende slaagt niet in de zwaardere bewijslast.
Beslissing Hoge Raad
Belanghebbende gaat in cassatie. Beide middelen falen.
Kenbaarheid van de fout
Dat de te weinig geheven belasting ten minste 30 procent bedraagt, is in cassatie niet bestreden. Het Hof gaat daarom terecht uit van de fictie van kenbaarheid. Dat is alleen anders als de belastingplichtige bij ontvangst van het aanslagbiljet in redelijkheid kon menen dat de aanslag op goede gronden was vastgesteld. De stelplicht en bewijslast daarvoor liggen bij de belastingplichtige.
Die uitzondering doet zich hier niet voor. Het Hof heeft immers vastgesteld dat belanghebbende bij het doen van aangifte wist of moest weten dat de aftrek van € 250.000 onjuist was.
Omkering voor de hele aanslag
De Hoge Raad onderscheidt twee situaties.
Situatie 1: inhoudelijke gebreken in de aangifte. De vereiste aangifte is dan alleen niet gedaan als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat:
– de gebreken ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting;
– het bedrag dat daardoor niet zou zijn geheven, op zichzelf aanzienlijk is; en
– de belastingplichtige bij het doen van aangifte wist of behoorde te weten dat daardoor een aanzienlijk bedrag niet zou worden geheven.
Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden van het geval mee worden genomen. Is aan deze maatstaf voldaan, dan geldt de verzwaarde bewijslast voor de gehele bestreden belastingaanslag. De aangifte wordt als geheel beoordeeld. Er is geen grond om de omkering te beperken tot bepaalde geschilpunten.
Situatie 2: een of meer vragen in het aangiftebiljet zijn niet of onjuist beantwoord. Dan hoeft niet vast te staan dat de belasting verhoudingsgewijs of op zichzelf aanzienlijk lager is. Maar geldt het volgende:
– de omkering blijft achterwege als het niet of onjuist beantwoorden van onvoldoende gewicht is om die zware sanctie te rechtvaardigen;
– de omkering vindt alleen plaats voor zover de belanghebbende wist of behoorde te weten dat hij de vraag niet of onjuist heeft beantwoord;
– de omkering geldt niet voor geschilpunten waarvoor het antwoord op die vraag niet van belang kan zijn.
De Hoge Raad verwijst hiervoor naar HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767. In die gevallen hoeft de aangifte niet in zijn geheel te worden beoordeeld. Er is sprake van partiele omkering en verzwaring van de bewijslast.
Deze zaak valt onder situatie 1. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de omkering en verzwaring van de bewijslast voor de gehele aanslag gelden.
Wat vind ik ervan?
Dit is een belangrijk arrest. Sla deze blog of dit arrest op. Tot dit arrest was niet duidelijk hoe de rechtspraak over wat ik noem ‘materiële gebreken’ in de aangifte zich verhoudt tot het arrest uit mei 2022 over het niet of onjuist beantwoorden van vragen in de aangifte (HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767).
Was de Hoge Raad omgegaan? AG Koopman vraagt zich in zijn conclusie van 31 januari 2025 ook af hoe dit moet worden gezien (ECLI:NL:PHR:2025:200). Over deze conclusie schreef ik vorig jaar februari een blog. Zie link: Blog conclusie AG Koopman
Daar is nu duidelijkheid over gekomen. De rechtsregels bestaan naast elkaar. Met andere woorden: als er sprake is van materiële gebreken in de aangifte, geldt een ander toetsingskader dan wanneer een of meerdere vragen niet of onjuist zijn beantwoord.